De inspectie voor het onderwijs heeft in week 20 (13 t/m 19 mei 2007) het jaarrapport over 2005 uitgegeven. Minister Ronald Plasterk werd bij Knevel & van de Brink gevraagd om een reactie. Vond hij de uitkomsten verrassend of schokkend? De minister werd volgens eigen zeggen bevestigd in zijn waarneming dat een aantal zaken in het onderwijs niet goed gaan. De kwaliteit van rekenen en taal en het probleem van de vroege schoolverlaters. Het is prettig dat we tegenwoordig niet alleen afhankelijk zijn van journalisten voor informatie en degenen die door de journalisten naar commentaar worden gevraagd. Op de internetsite van het ministerie (www.minocw.nl) staat het complete rapport. Hoe erg is het gesteld met de vroegtijdige schoolverlaters?
Vroegtijdige schoolverlaters voortgezet onderwijs
Van de leerlingen die in het schooljaar 2003-2004 nog in het voorgezet onderwijs lessen volgden verliet 2,4% in 2004 het onderwijs. Het ging om 21.500 leerlingen. Een nadere uitsplitsing van deze groep levert het volgende beeld op:
9.000 leerlingen verlaten het onderwijs, maar hebben een VMBO diploma op zak.
4.500 leerlingen haken af in de opbouwperiode (onderbouw)van het voortgezet onderwijs
4.000 leerlingen haken af bij de basisgerichte- en de kaderberoeps stroming binnen het VMBO
3.500 leerlingen haken af op VMBO-TL, Havo en VWO
Er is sprake van vroegtijdige schoolverlating als een leerling zonder startkwalificatie het onderwijs verlaat. Er is sprake van startkwalificatie indien een leerling minimaal een diploma MBO-niveau 2 heeft gehaald. Met dit criterium is een leerling met alleen een VMBO diploma een vroegtijdige schoolverlater. Als we kijken naar niveau dan kun je eenvoudig de stelling verdedigen dat iemand met een VMBO diploma een betere schoolopleiding achter de rug heeft dan iemand met alleen MBO-2. Met een diploma VMBO kun je immers instromen in MBO-niveau 3. Ik acht zelfs een leerling van 18 of 19 jaar met vier jaar Havo die geen zin meer heeft in school en wil werken kansrijker op de arbeidsmarkt dan iemand met MBO-niveau 2. De focus op een startkwalificatie op MBO-2 niveau lokt verkeerde prikkels uit. De politiek is tevreden als het percentage naar beneden gaat. Dat kan bijvoorbeeld door het niveau te verlagen. Dat is makkelijker dan extra inspanningen te doen om leerlingen die moeite hebben om het niveau te halen met extra ondersteuning en nieuwe methoden toch op het gewenste niveau te krijgen.
Vroegtijdige schoolverlaters in het middelbaar beroepsonderwijs
In 2004 verlieten 41.000 leerlingen zonder diploma het MBO. Dat is 9% van het totaal aantal leerlingen in het MBO op dat moment. Het is opmerkelijk dat in het inspectierapport dit percentage niet staat, maar wel: 38% van de totale uitstroom. Met andere woorden in 2004 verlieten ongeveer 107.895 leerlingen het MBO, 62% met een diploma en 38% zonder diploma. Er is een neiging om het probleem van vroegtijdige schoolverlating aan te dikken. In de deeltijd MBO-BOL opleiding gaat zelfs 75% zonder diploma van school. Bij de cijfers van het MBO moeten we ons goed realiseren dat er erg veel leerlingen gedwongen worden om naar school te gaan terwijl ze dat helemaal niet willen. Dan is het ook niet zo vreemd dat ze de school verlaten als ze ook maar even kunnen. Wij eisen als samenleving van jongeren tot 23 jaar (en dat wordt 25 of zelf 27 jaar) dat ze of aan het werk zijn, of een opleiding volgen. Degenen die geen baan kunnen vinden zitten met tegenzin op school. Als leerlingen tegen hun zin op een MBO opleiding zitten en halverwege de rit een baan kunnen vinden, verlaten ze de school. Dat is dan een vroegtijdige schoolverlater. Is dat erg? Nee, dat is helemaal niet erg. Het is wel goed dat al die leerlingen weten dat ze met een afgeronde opleiding een betere positie hebben op de arbeidsmarkt.
Oplossingen mogelijk tegen vroegtijdige schoolverlating
In het inspectierapport staan bemoedigende voorbeelden van scholen waar een goed beleid tegen spijbelen en aandacht voor leerlingen succesvol is tegen het terugdringen van het zonder diploma de school verlaten.
Is er dan niets aan de hand in het onderwijs?
Er is zeker wat aan de hand met het onderwijs. Het belangrijkste probleem is dat docenten niet worden beschouwd als de belangrijkste professionals die het onderwijsproces. Docenten zijn in de afgelopen decennia murw geslagen door het ministerie met opgelegde structuren en door raden van bestuur van veel te grote instellingen die weinig affiniteit hebben met het primaire basisproces en alleen maar geldgedreven scholen proberen te runnen. Er is fundamenteels mis als het merendeel van de docenten liever een coördinerende rol krijgt dan gewoon lesgeeft. Er zijn in de veel te grote scholengemeenschappen veel teveel teammanagers en andersoortige coördinatoren. We moeten er naar toe dat de docenten de best betaalde krachten zijn in scholen. Coördinatoren moeten minder verdienen dan docenten. Moet je zien hoe snel je af bent van die idiote coördinatiedichtheid. Een directeur mag wat mij betreft net iets meer verdienen dan de docenten, maar niet veel meer. Wat is de basis van een school? Dat is de meester/gezel-relatie zijn tussen docent en leerling. Leerlingen komen naar een school om iets te leren van mensen die een vak hebben bestudeerd en die verstand hebben van het overbrengen van kennis en vaardigheden aan jonge mensen. Maak docenten weer de belangrijkste spelers in het onderwijs en betaal ze er naar! Het is toch werkelijk krankzinnig dat docenten in het middelbaar beroepsonderwijs niet zelf meer toetsen maken, maar dat dat gebeurt door een organisatie ergens in het land door mensen die nooit meer een echte leerling zien! Er wordt tot op de komma voorgeschreven wat een leerling op deelgebieden moet kunnen en weten. Er wordt geen enkel appèl gedaan op de creativiteit van de docent om zelf lesmateriaal samen te stellen en zelf toetsen te maken waar dingen gevraagd worden die jij als docent belangrijk vindt. Integendeel, de docent van nu is de marionet van onderwijsbureaus. Het is op die manier toch ook helemaal niet meer leuk om docent te zijn! Hoe leuk is het als je verstand hebt van een vak je alleen nog maar procesbegeleider mag zijn? Zijn alle vernieuwingen van de afgelopen jaren dan nutteloos? Zeker niet, maar geef de leiding van het onderwijsproces terug aan docenten en laat die docenten keuzes maken binnen de nieuwe mogelijkheden. En dwing docenten ertoe zichzelf te bekwamen in het overbrengen van kennis en vaardigheden tegen de achtergrond van wijzigende maattschappelijke ontwikkelingen.
Celdeling van Eckhardt Wintzen
In dezelfde week van het inspectierapport kwam het boekje ‘Eckardt notes’ van Eckhardt Wintzen uit. Wintzen is de oprichter van het automatiseringsbedrijf BSO. Hij heeft het bedrijf heel groot gemaakt en uiteindelijk verkocht aan Philips. Het kernpunt van zijn managementfilosofie was de gedachte van celdeling. Wanneer een organisatie rond de 70 medewerkers kwam moet er gedacht worden het oprichten van een nieuwe cel. Een zelfstandige organisatie gefinancierd door de oercel. Het idee van de celdeling zou een interessante oplossing kunnen zijn voor de veel te grote onderwijsinstellingen. Splits de grote scholengemeenschappen op in scholen van rond de 700 leerlingen met een maatschap van docenten aan het roer.
Meer geld naar het onderwijs
Het grootste probleem in het onderwijs is het geld. Als Nederland de kenniseconomie echt serieus neemt dan zal het aandeel van de rijksuitgaven voor het onderwijs omhoog moeten. In 1979 besteedde Nederland 7,8% van het bruto binnenlands product (BBP) aan onderwijs. In 2000 is dat teruggezakt naar 5,1% en in 2004 is dat weer iets hoger geworden: 5,6%. Nederland scoort hiermee laag in de zogenaamde OESO landen. De 5,6% betekent in 2004: 27,2 miljard euro’s, waarvan 22 miljard van de overheid komt, 2,8 miljard van de onderwijsdeelnemers zelf en 2,4 miljard door bedrijven en huishoudens. Als Nederland echt kiest voor het verbeteren van het onderwijs van basisschool tot universiteit dan moet we zeker terug naar 7,8% van het BBP. Dan zou de onderwijssector ruim 38 miljard beschikbaar hebben. Dan kan er een enorme impuls gegeven worden aan het onderwijs in Nederland. Maar welke politicus durft dat voor te stellen in combinatie met de opwaardering van de docent als vormgever van het onderwijsproces?


