D66 wilde graag Rita Verdonk uit het kabinet hebben, maar moet genoegen nemen met het vertrek van de ministers Brinkhorst en Pechtold. De eerste reacties in de media tenderen in de richting van een veroordeling van D66. Alle aandacht is weer af van Rita Verdonk, terwijl deze minister toch opnieuw weer een hele scheve schaats heeft gereden.
Argumentatie voor het Nederlanderschap van Hirsi Ali
Op 16 mei concludeerde Verdonk dat Hirsi Ali helemaal geen Nederlandse was, omdat het Nederlanderschap niet intreedt in geval van onjuiste persoonsgegevens. De minister heeft volgens eigen zegge zeer zorgvuldig onderzoek laten doen. Volgens Verdonk is er plotseling helemaal geen probleem meer, omdat men bedacht heeft dat de grootvader van Hirsi Ali zichzelf een tijd Ali lang heeft genoemd in plaats van Magan. Dus er is geen probleem meer met de persoonsgegevens en dus is er geen twijfel meer over het Nederlanderschap. Je moet er maar op komen! Verdonk betoogde in het debat van 28 juni dat ze de goede informatie pas boven tafel kon krijgen door Hirsi Ali een verklaring te laten tekenen. Dat blijft toch een vreemde redenering.
De verklaring
De verklaring was volgens Balkenende nodig voor het bewijsmateriaal. Er is geconstateerd dat de grootvader van Hirsi Ali 20 jaar de nam Ali heeft gebruikt voordat hij de naam Magan gebruikte. Volgens het Somalisch naamrecht is daarmee de naam Ali voor Hirsi Ali geoorloofd. Het probleem was dat er geen documenten zijn die dit kunnen bewijzen, alleen maar verklaringen van familieleden. Dat is geen afdoende bewijsmateriaal. De bewijsvoering zou rondgemaakt kunnen worden met een verklaring van Hirsi Ali waarin zij aangeeft dat ze zelf fouten zou hebben gemaakt. Hier moeten juristen in de komende dagen toch eens een oordeel over geven. Het klinkt allemaal flinterdun! Later in het debat gaf Balkenende een veel plausibeler verklaring voor de noodzaak van de verklaring: het redden van het gezicht van Rita Verdonk.
Interpretatie van de uitspraak van de Hoge Raad
Het is erg jammer dat een aantal juridische aspecten van de uitspraak van de Hoge Raad door de vondst van Verdonk en haar medewerkers nu niet verder worden onderzocht. Het gaat mij om de volgende punten:
Artikel 14
Lid 1 levert het volgende op: Onze minister kan de verkrijging of verlening van het Nederlanderschap intrekken, indien zij berust op een door de betrokken persoon valse verklaring of bedrog, dan wel op het verzwijgen van enig voor de verkrijging of verlening relevant feit. In het debat van 16 mei speelde het woordje ‘kan’ een belangrijke rol. Dat is immers iets anders dan ‘moet’.
Verderop in artikel 14 staat lid 4: Met uitzondering van het geval, bedoeld in het eerste lid, heeft geen verlies van het Nederlanderschap plaats indien staatloosheid daarvan het gevolg zou zijn. Als het werkelijk waar is dat Verdonk Hirsi Ali zou willen helpen dan had ze toch dit punt onderzocht? Als het Nederlanderschap zou worden afgenomen en Hirsi Ali staatloos zou worden, dan zou dat feit een mogelijkheid bieden om het Nederlanderschap niet af te nemen. Verdonk moest toegeven in het debat aan het kamerlid van der Laan dat ze dat niet had onderzocht.
Het arrest
In de beschikking van het arrest van de Hoge Raad waar Verdonk zich op 16 mei op baseerde staat het volgende: Een naturalisatiebesluit waarin valse of fictieve persoonsgegevens zijn opgenomen, identificeert –behoudens bijzondere omstandigheden waaromtrent door de rechtbank in deze niets is vastgelegd- betrokkene immers niet, en heeft daarom geen rechtgevolg. Als er een valse of fictieve persoonsgegevens zijn gebruikt is er geen rechtsgevolg geweest, dus geen naturalisatie. En wat zijn nu die ‘bijzondere omstandigheden’? In de beschikking staat: Te denken valt aan gevallen waarin de opgegeven naam of andere persoonsgegevens een kennelijke verschrijving bevatten of als gevolg van transcriptieproblemen zijn verbasterd, of aan gevallen waarin de opgegeven naam een naam is waaronder de naturalisandus (ook) bekend staat en door hem –volgens het toepasselijke recht- bevoegdelijk is gevoerd. In deze zin worden voorbeelden genoemd van ‘bijzondere omstandigheden’. In de voorbeelden zitten geen aanknopingspunten voor de verdediging, maar er staat ook: ‘Te denken valt aan’. Dat betekent dat het dus niet gaat om een limitatieve opsomming. Er zijn dus meer ‘bijzondere omstandigheden’ denkbaar.
Indentificatie
In de beschikking van de Hoge Raad staat nog een belangrijk punt over ‘valse of fictieve persoonsgegevens’. In punt 12 van de beslissing staat een omschrijving van vals of fictief: dat wil zeggen de betrokkene niet identificerende. Het gaat dus niet om vals of fictief sec, maar in context. Met andere woorden als de persoon in kwestie valse of fictieve persoonsgegevens heeft gebruikt, maar er kan wel een correcte identificatie plaatsvinden dan hoeft er geen probleem te zijn. De juiste persoonsgegevens zijn volgens punt 11 van de beslissing nodig om een behoorlijk onderzoek te kunnen doen naar de antecedenten van de naturalisandus. Heeft de naam Ali het onderzoek naar de antecedenten in de weg gestaan? Ik denk van niet.


