De PvdA in de Tweede Kamer bij monde van één van de onderwijswoordvoerders, Mariët Hamer, heeft een meerderheid in de Kamer gevonden voor een parlementaire enquête naar alle vernieuwingen in het onderwijs van de laatste 20 jaar: Studiehuis, Tweede Fase, Basisvorming, VMBO en het Nieuwe Leren. Dat dit geïnitieerd wordt door een kamerlid dat er al die tijd bijgezeten heeft, al deze vernieuwingen met verve verdedigd heeft, al jaren op de hoogte kan zijn van onderzoeksresultaten toont zich toch wel een rasopportunist. Iemand die je geen enkel vertrouwen meer geeft als volksvertegenwoordiger!
Het kan toch niet zo zijn dat er kamerleden zijn die met drogen ogen durven te beweren dat er onderzoek gedaan moet worden naar de voors en tegens van de Basisvorming. Je moet toch ziende blind en horende doof zijn geweest in de afgelopen jaren om te beweren dat daar onvoldoende van bekend is. Over alle onderwerpen die nu bestudeerd moeten worden is al veel onderzoek bekend. Als de Tweede Kamer zonodig een parlementaire enquête wil houden dan zou het onderwerp moeten zijn: de competenties van Kamerleden. Een parlementaire enquête over het onderwijs is volstrekt overbodig. Er zijn nog twee andere argumenten die tegen de parlementaire enquête pleiten: 1. de politiek moet niet weer in het centrum van onderwijskundige debatten geplaatst worden. Het onderwijsveld moet zelf de ruimte krijgen om te leren en te ontwikkelen. En 2. het schuift belangrijkere beslissingen weer vooruit.
Het onderwijsveld is door de greep vanuit Den Haag murw geslagen. Vooral het docentencorps is murw geslagen. De docenten zouden de spilfunctie moeten hebben in het onderwijs, maar de rol van de docent wordt steeds meer de slaafse uitvoerder van de grillen van de managers van mammoetorganisaties en ontwikkeld zich van kennisoverdrager naar procesbegeleider. Het zal de komende tijd lastig zijn om deze groep krachtig en machtig te maken. Toch moet daar de oplossing gevonden worden. De overheid moet zorgen dat er ruimte gecreëerd wordt voor nieuwe initiatieven, waarbij de docent de spilfunctie kan oppakken. Drie dingen zijn dan nodig: een substantieel groter geldbedrag per leerling, het aanpassen van de minimumstichtingsnormen en voor alle diploma’s centrale examens aanbieden. Scholen moeten meer financiële middelen krijgen om beter onderwijs te kunnen geven. In goede gebouwen en scholen moeten goede docenten iets kunnen bieden. Er moeten stevige eisen gesteld worden aan het beschikbare geld voor overhead, want het moet afgelopen zijn dat het voor een docent om financiële redenen aantrekkelijk is om teamleider te worden. Weg met al die coördinatiebanen en managementbanen die geen enkele bijdrage leveren aan het primaire proces! De mooiste baan in het onderwijs is die van de docent! Het moet makkelijker worden gemaakt om een school op te richten. Naast de bestaande situatie moet er ruimte komen voor nieuwe initiatieven. Bijvoorbeeld vanuit gemotiveerde docenten. Een maatschap van docenten zou een school moeten kunnen starten. Er moet een prikkel komen om kleine initiatieven te starten. Dat kan nu niet vanwege de stichtingsnormen. Het opbouwen van de huidige structuur is niet zinvol. Nieuwe structuren creëren is veel effectiever. Het Rijk moet zich bezighouden met een ruimhartige financiering, met kwaliteitscontroles en met landelijke examens. Scholen kunnen leerlingen dan voorbereiden voor eigen schooldiploma’s en voor landelijke examens.
4 februari 2007


