De NRC kopt op 13 februari 2008: Leerlingen dupe van 20 jaar politiek falen. Dat er stomme fouten zijn gemaakt is helemaal waar, maar dat er één of twee generaties leerlingen ongelooflijk tekort gedaan is lijkt mij een beetje overdreven.
De commissie Dijsselbloem wordt door veel politici geroemd omdat ze zo duidelijk zijn en vooral omdat ze zo’n hard oordeel hebben geveld. De overheid heeft het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs ernstig verwaarloosd. En:Er was in de afgelopen 20 jaar geen deugdelijk toezicht op de kwaliteit. Het is me nog niet gelukt het bijna 200 pagina’s tellende rapport helemaal te lezen, laat staan de vier dikke bijlagen. Ik heb de samenvatting gelezen, enkele andere stukken gescand, Jeroen Dijsselbloem in z’n toelichting gehoord en veel commentaren in kranten en op radio en televisie gevolgd. De commissie heeft studie gedaan naar een drietal ingrijpende onderwijsvernieuwingen: de basisvorming, de tweede fase en het vmbo. Terugkijken is noodzakelijk voor goed beleid in de toekomst, immers gedrag in het verleden is vaak een goede voorspeller voor gedrag in de toekomst. En dat geldt zeker voor de politiek! Dat geldt waarschijnlijk ook wel voor onderwijs. Maar er is al heel vaak teruggekeken op deze onderwijsvernieuwingen en er zijn inmiddels een aantal belangrijke maatregelen genomen. De basisvorming is niet lang na de invoering al door het onderwijsveld ontlopen en is onder minister van der Hoeven zo goed als afgeschaft. De tweede fase is flink aangepast en het studiehuis is niet meer verplicht. Het vmbo heeft meer faciliteiten gekregen voor praktijkonderwijs, maar kampt met een vrijwel onoplosbaar imagoprobleem en moet zich teveel richten op zorgleerlingen.
Wat speelt er nog meer in het onderwijs?
De commissie Rinnooy-Kan heeft minister Plasterk geadviseerd over het verbeteren van de positie van de leraar. Plasterk heeft bijna alle aanbevelingen overgenomen en heeft 1 miljard euro budget voor de uitvoering beschikbaar. Eén belangrijke aanbeveling neemt Plasterk niet over: het betalen van docenten op basis van een opleiding. Plasterk wil ook graag dat er universitair geschoolde docenten in het onderwijs rondlopen, maar wil geen automatische koppeling tussen opleiding en salaris. Dan is er de felle discussie over de 1.040 urennorm Tegenstanders van de norm zien Dijsselbloem aan hun zijde om de norm te versoepelen. Tot slot is er de discussie over de gratis schoolboeken. Ik hoop dat die tot gevolg heeft dat docenten meer eigen materiaal gaan maken in plaats van leerlingen op te schepen met rijk geïllustreerde boeken met een houdbaarheidstijd van een jaar.
Wat is er mis met het onderwijs?
Docenten zijn in de afgelopen 20 jaar murw geslagen met plannen van de Rijksoverheid en het schoolmanagement en zijn onvoldoende aangesproken op hun professionaliteit. Het is toch een teken aan de wand dat inhoudelijke discussies over onderwijs nauwelijks of niet gedomineerd worden door docenten uit de praktijk! Als er een juridische kwestie in het geding is dan zijn er tal van advocaten in de media te vinden die hun commentaar te leveren. In het onderwijs wordt de teamcoördinator steeds meer vrijgesteld van lesgeven en heeft een hoger aanzien dan de lesgevers. Docenten in het middelbaar beroepsonderwijs worden steeds meer studiebegeleiders in plaats van deskundigen in een bepaald vak die jonge mensen iets kunnen leren. De meester-gezel verhouding is toch uiteindelijk de kern van het onderwijs? Toen de centrale eindexamens in het mbo zijn afgeschaft, werden docenten overgeleverd aan instituten die de toetsen gingen maken en het complete lesprogramma gingen voorschrijven. De docent verloor alle vrijheid om interessante zijwegen in te slaan en maakte niet eens meer zelf proefwerken! Een voorgekookt programma en voorgekookte toetsen. Dan is het toch niet raar dat docenten afhaken? Veel scholen kampen met slechte huisvesting. Veel scholen zouden dolgraag een breed aanvullend pakket willen bieden op het gebied van sport, drama, zang, muziek maken, fotografie, filmen enz., maar de middelen daarvoor ontbreken. Met name in het vmbo en mbo is er het probleem van zorgleerlingen. Het is geen pretje om een klas goed te bedienen als docent als er 5 of 6 kinderen inzitten met adhd of persoonlijkheidstoornissen. Ook in het mbo is de populatie zorgleerlingen enorm toegenomen. Dat is voor een deel te verklaren uit het beleid dat jongeren tot 27 jaar of een opleiding moeten doen of aan het werk zijn. Regionale Opleidingcentra (roc’s) moeten jongeren opvangen die helemaal niet naar school willen, maar moeten om geen problemen met de gemeente of justitie te krijgen.
Wat en Hoe
De commissie Dijsselbloem pleit voor de scheiding tussen ‘het wat’ en ‘het hoe’ in het onderwijs. De overheid moet sturen op het kerncurriculum, examens en toezicht volgens de commissie. De scholen gaan over de weg naar het doel. Zij zijn verantwoordelijk voor het pedagogisch-didactisch klimaat. Stel nu dat een school razend enthousiast is over ‘het nieuwe leren’ dan zou het toch prima zijn dat die school deze ‘hoe’ kan aanbieden? Nee, zo makkelijk gaat het niet. De commissie wil dat de overheid onderwijsinhoudelijke vernieuwingen alleen accepteert als deze wetenschappelijk gevalideerd zijn. Het lijkt mij in de praktijk onmogelijk dat nieuwe onderwijsmethodes getoetst worden in laboratoriumomstandigheden. Als de overheid het ‘hoe’ aan scholen wil overlaten dan moeten scholen vormen van ‘het nieuwe leren’ kunnen aanbieden. Dat is ook helemaal niet erg als er ook maar voor een andere ‘hoe’ gekozen kan worden. De commissie wil een begintoets verplicht stellen. Nee, meneer Dijsselbloem, u zou het ‘hoe’ aan de school overlaten. Dat is een keuze van een school. Een school zou er slim aan doen om een leerling vooraf te testen op allerlei onderdelen om vervolgens een goed traject te kunnen aanbieden voor de weg naar een diploma. De eisen van het diploma dient door een overheidsinstantie te worden vastgesteld.
Waar moet de discussie de komende tijd over gaan?
Er is veel onderzoeksmateriaal beschikbaar over het onderwijs. Naast de rapporten van Dijsselbloem en Rinnooy-Kan is er veel toegepast wetenschappelijk onderzoek. Ik denk daarbij aan het rapport van hoogleraar Jaap Dronkers over de vergelijking van schoolonderzoeken en het centraal examen, de publicatie van hoogleraar Greetje van der Werf over ‘het nieuwe leren’, de publicatie over de essentie van goed leraarschap van hoogleraar Korthagen en publicaties van professor Jolles over het brein van de puber en waar dat brein wel en niet toe in staat is. Zonder de pretentie van ‘wetenschappelijk’ noem ik graag de boeken: De ondergang van de leraar van Ton van Haperen en Van wie is het onderwijs onder redactie van Pieter Hettema en Leo Lensen. Er is ongetwijfeld nog veel meer.
Ik was geen voorstander van het onderzoek van de commissie Dijsselbloem, omdat iedereen die zich verdiept heeft in het onderwerp wel wist wat er fout ging. Nu het onderzoek er ligt is het de vraag hoe er mee om te gaan? Komen nu de belangrijke discussiepunten in Den Haag wel aan de orde? Of blijft de politiek hangen in de ellende van drie mislukte onderwijsvernieuwingen? Aan de andere kant kan het momentum ook gebruikt worden voor het aan de orde stellen van de goede discussiepunten. Laat ik mijn bijdrage leveren. Wat mij betreft moet in de discussie over onderwijs de volgende punten aan de orde komen:
- Meer geld in het onderwijs. De beschikbare middelen per leerling in het voortgezet onderwijs zijn te laag. Als Nederland serieus werk wil maken van Nederland als kennisland dan moet er meer geld bij. Om te beginnen gefaseerd toegroeien naar het gemiddelde aandeel in het Bruto Nationaal Product van de Oesolanden.
- Docenten krijgen de macht over de pedagogisch-didactische aanpak op een school. Docenten bepalen wat het beste is voor de leerlingen om een bepaald diploma te halen. En scholen zullen elkaar beconcurreren op de wijze van aanpak. Docenten bepalen wat er geleerd wordt en bepalen gezamenlijk in welke periode hoeveel uur aan een bepaald vak of vakgebied besteed wordt. Voorgeschreven lessentabellen worden afgeschaft.
- Opleiding en training van docenten. Docenten krijgen volop mogelijkheden om zichzelf te scholen en te trainen. In de financiering van het onderwijs wordt rekening gehouden met de financiering van verleturen. In het huidige systeem zit een prikkel om docenten vooral niet naar een scholing of training te sturen. Het kost je als school geld en je bent de docent een tijdje kwijt en je hebt geen vervanging. Die vervanging moet dus geregeld worden.
- Salaris docenten apart financieren. Scholen zouden de mogelijkheid moeten krijgen om docenten met een hogere opleiding extra te belonen. Geen automatisme, maar schoolbesturen moeten die mogelijkheid krijgen. De hogere salarissen gaan niet direct ten koste van het overige budget. Per 15 leerlingen krijgt een school 1 docent volledig gefinancierd. Extra kosten voor docenten met een hogere opleiding worden aanvullend gefinancierd.
- Centraal examen. Om de kwaliteit van een opleiding te garanderen is het noodzakelijk dat er centraal examen wordt gedaan voor een Rijksdiploma. Het mbo moet ook weer terug naar een centraal examen. Er zou een nieuw instituut moeten komen die alleen maar bezig is met diploma’s en examens: Het Nationaal Instituut voor Rijksdiploma’s (NIR). Het NIR maakt toelatingsexamens voor bepaalde opleidingen, maar ook examens voor bepaalde beroepen of vaardigheden. Naast het centrale examen gericht op een Rijksdiploma kunnen scholen eigen certificaten ontwikkelen voor speciale onderdelen die alleen voor die school gelden. Hiermee zijn de ‘wat’ en ‘hoe’ vraag prachtig in te vullen. Voor de rijksdiploma’s denk ik aan een diploma dat gehaald moet worden om naar de universiteit te kunnen of het HBO. Maar ook diploma’s voor timmerman, loodgieter of bedrijfsleider in een winkel. Ik kan me voorstellen dat er een heel breed palet van diploma’s ontwikkeld zal worden. Dat is prima!
- De rechtsvorm van scholen. Scholen zouden maatschappelijke ondernemingen moeten worden zoals bedoeld in het advies van de commissie Wijffels over deze nieuwe rechtspersoon. In deze rechtsvorm kunnen de uitgebreide verantwoordelijkheden en bevoegdheden van docenten worden vastgelegd, maar ook die van ouders.
- Leerrechten. Ieder Nederlands kind krijgt voor 8 jaar leerrechten voor het voortgezet onderwijs om te besteden bij een door de overheid gecertificeerde school gedurende de leeftijdsperiode van 11 t/m 23 jaar. Een jaar leerrechten staat voor €5.000 (naast de financiering van de docenten). Een leerling die zich inschrijft op een school brengt €5.000 mee. Met een dergelijk systeem is de huidige financieringsproblematiek opgelost. Nu worden scholen gefinancierd volgens de n-2 systematiek. De betaling voor komende schooljaar is gebaseerd op het leerlingenaantal van 2 jaar geleden. Deze methode is vooral voor groeischolen een groot probleem. Van deze €5.000 per leerling moeten alle aanvullende kosten worden betaald boven de kosten aan salarissen op basis van de norm. Een school die kiest voor 1 docent op 12 leerlingen zal de aanvullende kosten zelf moeten betalen.
- Profileren op inhoud. Scholen zouden niet meer een opleiding moeten zijn voor het vmbo of het vwo, maar zijn opleidingsinstituten voor een groot aantal Rijksdiploma’s. Scholen zullen zich meer gaan profileren over de aanpak van ‘het hoe’ in plaats van het zijn van een vmbo, een mbo, of een havo. Kinderen gaan niet meer naar een vmbo of een gymnasium, maar naar het Maartens College of het Esdal College. Daar kiezen ze voor een individueel traject om diploma’s te halen.
- Huisvesting. Scholen worden zelf eigenaar van de gebouwen. Gebouwen in eigendom van het Rijk of de gemeente zouden in één keer verkocht moeten worden aan scholen. Voor het vergemakkelijken van de financiering daarvan wordt er een bank voor het onderwijs opgericht. Bij deze bank kunnen scholen tegen een sociale rente geld lenen. Ik denk aan zo’n 2% rente.
- Maatschappelijke stages. Is het juist om scholen hiermee op te schepen? Zou het niet beter zijn de gelden voor maatschappelijke stages bij gemeenten te parkeren en daar de regie neer te leggen om dat samen met scholen te gaan regelen. Zou bijzonder interessant zijn in het kader van de Wet Maatschappelijke Ondersteuning. Het zou de organisatiedruk meer bij de gemeente leggen in plaats van bij de scholen.
- Zorgleerlingen. Het opvangen van leerlingen met een psychosociale problematiek laat zich slecht combineren met leerlingen zonder. In het recente verleden is het speciaal onderwijs ten onrechte ‘uitgekleed’. De ‘rugzakleerlingen’ en ‘het samen op weg’ zijn geen onverdeeld succes. Laten we proberen een stelsel van scholen te creëren die voor verschillende kinderen een toegespitst inspirerend leer en leef milieu kunnen bieden. Voor scholen die zorgleerlingen opvangen zal de norm van 1 docent op 15 leerlingen aangepast moeten worden.
Competentiegericht leren als lakmoesproef voor de politiek
Na de drie grote onderwijsvernieuwingen die in het rapport van de commissie Dijsselbloem zijn bestudeerd staat een vierde op de agenda: het competentiegericht leren in het mbo. Het wordt de komende tijd interessant hoe de politiek en het onderwijsveld hiermee omgaan. Gaat deze aanpak op voorhand bij het grof vuil, of wordt het business as usual? Even verontwaardigd met elkaar doen en dan gewoon op de oude voet doorgaan? Het competentiegericht leren in het mbo is ook zo’n grote onderwijsvernieuwing. Dat zou aanvankelijk in het schooljaar 2008/2009 worden ingevoerd, maar is al uitgesteld tot 2010. Het PvdA kamerlid Staf Depla (maakt een snelle overgang van volkshuisvesting naar onderwijs) heeft al aangegeven dat die datum voor hem niet meer heilig is. Denkt de politiek die denderende trein nog te kunnen tegenhouden? Ik denk van niet. Zou het moeten? Dat hangt ervan af. Als docenten binnen een roc ervan overtuigd zijn dat de nieuwe aanpak zinvol is dan moeten ze het traject vooral doorzetten. Als dat niet zo is dan moet het anders? De commissie Dijsselbloem is ook bezorgd over de kwaliteit van het onderwijs. Zij constateren dat vooral de zwakste leerlingen de dupe zijn geworden van de drie onderzochte onderwijsvernieuwingen. Dat zal bij het competentiegerichte leren niet aan de orde zijn. Integendeel, de normen worden naar beneden bijgesteld. Ik ben zelf docent marketing en bedrijfseconomie geweest in het mbo en het hbo van 1986 tot 1995. Leerlingen in het mbo in mijn vakken hadden een voortreffelijke aansluiting op het hbo. Het niveau bedrijfseconomie van toen is al fors naar beneden bijgesteld en bij de nieuwe plannen gaat dat nog verder. Het niveau dat nu gevraagd wordt voor niveau 3 bij mbo handel is straks het vereiste voor niveau 4. Een sluipend proces dat aan menigeen voorbij gaat. Het hbo ziet dit soort ontwikkelingen met lede ogen aan. Zij moeten hun entree niveau of ook steeds verder verlagen of ze moeten een overgangsjaar inbouwen of de toegang tot het hbo afsluiten.
Ronald Plasterk moet het verschil maken
Ik heb een hele hoge verwachting van minister Plasterk. Ik denk dat hij als geen ander in staat geacht moet worden in de komende twee jaar een wissel om te zetten in de onderwijspolitiek. Hij is in staat geschiedenis te schrijven. Hij moet er voor zorgen dat er een structuur komt waarin docenten weer als professionals worden aangesproken en beloond. Waar het weer leuker wordt om les te geven in plaats van teams coördineren. Waar de school partner wordt van gemeenten bij het aanpakken van maatschappelijke vraagstukken. Waar leerlingen volop de kans krijgen het beste uit zichzelf te halen. Waar docenten de mogelijkheid krijgen om zijwegen te bewandelen in het onderwijsproces die zij de moeite waard vinden. En waar de meester-leerling verhouding tussen docent en leerling echt beleefd wordt!
17 februari 2008


