Grote consternatie over de uitspraak van het hof Den Haag inzake Samir A. Het arrest erbij genomen. Vijfentwintig pagina's! Zorgvuldig wordt al het bewijs gewogen. Conclusie: we willen wel geloven dat hij terroristische intenties had, maar wat hij voor de uitvoering van die intenties voorhanden had, was absoluut ondeugdelijk.
Tegen dat oordeel is weinig in te brengen. Een kamerlid, Arno Visser van de VVD, ongetwijfeld de grootste cultuurdrager sinds Erasmus maar evengoed niet al te pienter, zei: Als ik een moord pleeg met een bot broodmes, word ik dus vrijgesproken. Nee, want dat is een voltooid misdrijf en daar gaat het hier niet om. Het gaat hier om voorbereiding. Dat is iets anders. Als je een plan maakt om iemand ritueel te slachten met een tweehandig slagzwaard en je koopt er één van plastic bij de Blokker, dan is dat zo inadequaat dat er geen sprake is van voorbereidingshandelingen.
Nou zou je natuurlijk kunnen betogen dat ook terroristische gedachten strafbaar moeten worden gesteld (zoals je ook satire strafbaar zou kunnen stellen).
Daar is echter niet alleen uit een oogpunt van grondrechten maar ook uit een oogpunt van terrorismebestrijding nogal wat tegen in te brengen.
Want wat betekent dat?
Het betekent dat je zegt: omdat ik Osama Bin Laden niet kan vangen, stel ik zijn fans strafbaar, want die zijn niet zo ongrijpbaar.
Maar daarmee bestrijdt je het terrorisme niet. Je wakkert slechts de gemakzucht van het OM, de politie en de inlichtingendienst aan.
Waarom achter schreeuwlijken aanhollen die geen bom kunnen maken?
Waarom je niet liever concentreren op degenen die dat wel kunnen maar die je niet hoort totdat de explosie klinkt?
De volgende overweging van het hof is van belang:
Het hof stelt dan ook vast dat de verdachte blijkens het totaalbeeld van het inbeslaggenomen eivormige flesje nog op een kennelijk zeer onbeholpen wijze op zoek was naar wegen om een functionerende geïmproviseerde explosieve constructie te kunnen vervaardigen, bij welke zoektocht mogelijk de lijsten met adressen van winkels van de Boerenbond/Welkoop een rol hebben gespeeld. Dat ook 'restanten (van een) reiswekker' werden aangetroffen, die onder nadere voorwaarden mogelijkerwijs als tijdmechanisme zouden kunnen functioneren, doet aan de overallbeoordeling als 'onbeholpen' geenszins af. Een en ander leidt tot de conclusie dat het hof niet twijfelt aan de terroristische intentie van de verdachte, maar dat hetgeen hij overeenkomstig de tenlastelegging in die sleutel heeft ondernomen om tot het (taalkundig gesproken) kennelijk voorbereiden van een actie met een geïmproviseerde explosieve constructie te komen, zich in een zodanig pril stadium bevond en zo onbeholpen en primitief was, dat daarvan géén reële dreiging (binnen afzienbare termijn) kón uitgaan. De verdachte stond in feite nagenoeg met lege handen. Onder die omstandigheden kan naar 's hofs oordeel niet gesproken worden van het vervaardigen of aanwezig hebben van voorwerpen, stoffen en gegevensdragers die kennelijk zijn bestemd tot voorbereiding van een aanslag zoals onder 2 tenlastegelegd, omdat die voorwerpen, stoffen en gegevensdragers die bestemming in objectieve zin redelijkerwijs niet kunnen hebben; zou men ondanks het ontbreken van die objectieve bestemming en de daarmee samenhangende gevaarzetting een verdachte tóch veroordelen, dan zou men hem ten gronde straffen voor zijn gedachten en intenties, hetgeen de wetgever juist uitdrukkelijk heeft willen uitsluiten. De verdachte dient derhalve van het onder 2 tenlastegelegde te worden vrijgesproken.
De volgende wetteksten zijn van belang:
artikel 289a Wetboek van Strafrecht: De samenspanning tot het in artikel 289 omschreven misdrijf (moord), te begaan met een terroristisch oogmerk (omschreven in artikel 83a), alsmede het in artikel 288a omschreven misdrijf (doodslag met terroristisch oogmerk), wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste tien jaren of een geldboete van de vijfde categorie.
artikel 46 lid 1 Wetboek van Strafrecht: Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen kennelijk bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.


