Op de website van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) staat de brief van staatssecretaris Marja van Bijsterveldt met haar eerste daden voor het Middelaarberoepsonderwijs (MBO). Deze brief wordt ondersteund met een interview in de Volkskrant van 6 april 2007. Beide stukken geven redelijk inzicht in de aanpak en gedachten van de nieuwe bewindsvrouw op Onderwijs. En dat is niet veelbelovend.
Niveauverlaging
De staatssecretaris wil de MBO-brede invoering van het competentiegericht leren met twee jaar uitstellen. Niet omdat er nog een keer goed nagedacht moet worden over deze onderwijsvernieuwing, maar om de invoering iets rustiger te laten verlopen. Menig docent in het MBO is wellicht dolblij met deze mededeling. Maar juich niet te vroeg. De staatssecretaris gaat alle 141 nieuwe kwalificaties voor het MBO goedkeuren. Daarmee wordt de zoveelste niveauverlaging van het MBO een feit. Voorbeeld: wat nu gevraagd wordt voor niveau 4 bij de handelsopleiding wordt geschrapt. Wat nu gevraagd wordt op niveau 3 wordt straks niveau 4. De HBO’s zullen er blij mee zijn! Immers met MBO niveau 4 heb je een ticket op zak voor de toelating op het HBO.
Het wat en het hoe
In het interview in de Volkskrant zegt van Bijsterveldt dat scholen de laatste jaren meer vrije ruimte hebben gekregen, maar dat zij de scholen in de komende tijd nadrukkelijk wil aanspreken op kwaliteit. Bijvoorbeeld toezien op het minimale aantal lesuren van 850 uur (dat betekent ruim 18 uur per week gedurende 45 schoolweken) in het MBO en 1040 uur (ruim 23 uur) in het voortgezet onderwijs. Hiermee wil ze klagende leerlingen over te weinig contacturen tevreden stellen. Menig lezer zal denken ‘dat is logisch, geen interessante nieuwe aanpak’. Voorts geeft ze aan dat de examenkwaliteit op orde moet zijn. Is dat nu niet het geval? Het moet duidelijk zijn wat leerlingen moeten kennen en kunnen. Dat kan toch niet een nieuw inzicht zijn op het ministerie van OCW. In de brief aan de Kamer wordt aangegeven dat het kwalificatiedossier vaststelt wat iemand moet leren c.q.beheersen (het wat) , en dat de instelling zorgt voor kwalitatief goede opleidingen (het hoe). Op zich niet vreemd als er geen landelijke eindexamens meer zijn. Maar met het goedkeuren van de staatssecretaris van de nieuwe kwalificatieprofielen is de niveauverlaging een feit. En het is wel mooi dat van Bijsterveldt het hoe overlaat aan de scholen, maar ze weet dat met de huidige financiering van het onderwijs scholen voor een minimalistische invulling zullen kiezen. Waarom zou een school veel meer doen dan minimaal nodig is voor de verlaagde kwalificatie? Dat kost alleen maar meer geld dat niet vergoed wordt.
Lerarenopleiding
De nieuwe bewindsvrouw is geschrokken van de rapporten over het reken- en taalniveau van groepleerkrachten. Ze heeft een expertcommissie ingesteld om de lerarenopleiding onder de loep te nemen. Het is toch vreemd gesteld met de PABO en het beroep van groepsleerkracht. Er is geen ander beroep in Nederland denkbaar waar je vier jaar een specialistische opleiding voor moet hebben gedaan om daarna zo slecht betaald te krijgen! Ik hoop dat de commissie aandacht zal besteden aan de gedachte om de PABO om te turnen naar een eenjarige of hooguit tweejarige aanvullende didactische opleiding op een gewoon vak.
Wat er wel moet gebeuren
Ik heb erg weinig hoop en vertrouwen in deze staatssecretaris. In het hele interview en de brief zit geen enkel aanknopingspunt op basis waarvan ik hoop kan putten dat deze staatssecretaris begrijpt wat er moet gebeuren in het onderwijs. Volgens mij zijn dat drie dingen: 1. Er moet substantieel meer geld komen per leerling. Iedere leerling krijgt na de basisschool tenminste voor 7 jaar financiële middelen om onderwijs in te kopen. Scholen krijgen op deze manier de mogelijkheid om zelf invulling te geven aan het onderwijstraject bovenop het verplichte deel dat nodig is om een examen te kunnen halen. 2. Het ministerie stelt voor alle opleidingen eindtermen op en organiseert een eindexamen. Scholen kunnen leerlingen opleiden voor de examens, maar ook voor eigen schoolprofielen. 3. De docent wordt als professional de belangrijkste functionaris in de school en wordt het beste betaald. Het aantal coördinerende functies wordt drastisch teruggedrongen. Scholen krijgen meer mogelijkheden om goede docenten beter te betalen. 4. Scholen kunnen via de overheid op een aantrekkelijke wijze huisvesting financieren.


