Vrijdag 17 februari moest de ministerraad zich weer eens buigen over een binnenbrandje in het kabinet. Minister van der Hoeven heeft in haar weblog aangegeven dat zij van mening is dat Taida Pasic (de Kosovaarse scholiere die eindexamen wil doen voor het VWO, maar van Verdonk het land uit moet) haar school in Nederland moet kunnen afmaken. De houding van van der Hoeven mag niet, omdat het in strijd zou zijn met eenheid van kabinetsbeleid. Het valt voor de collega’s van Verdonk ook niet mee om om te gaan met een collega die maar een doel heeft: hard en duidelijk zijn!
Van de juridische medewerker van deze website, mr. W.A. Verbeek, advocaat te Groningen, wordt het wanbeleid van Verdonk aan de kaak gesteld inzake de Feijenoord voetballer, Kalou. Als je dat leest dan vraag je in gemoede af: hoe lang gedoogt Nederland nog deze minister?
Kalou
Zowel de Rechtbank Rotterdam als in hoger beroep de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft Verdonk in het ongelijk in de zaak Kalou.
Ik heb beide uitspraken gelezen. Het is een beschamende vertoning. Laat mij zien hoe je procedeert en ik zeg je wie je bent.
Als je bedenkt dat het hier gaat om marginale toetsing is het sowieso al beschamend dat ze in een zaak die zo de aandacht trekt in twee instanties ongelijk krijgt.
Marginale toetsing betekent dat de rechter niet zelf inhoudelijk een oordeel velt over het geschil, maar er slechts op toeziet dat de beginselen van behoorlijk bestuur niet worden geschonden.
Het wordt nog beschamender, als je de overwegingen leest van de rechterlijke instanties. Ik citeer van beide instanties één overweging.
Voor het goede begrip:
- de rechtbank noemt Verdonk verweerder , de Raad van State noemt haar de minister;
- het besluit in primo is het besluit van de minister om Kalou niet versneld te naturaliseren. Daartegen heeft Kalou bezwaar gemaakt. Dat bezwaar heeft de minister ongegrond verklaard. Tegen die beslissing op het bezwaar heeft Kalou beroep ingesteld bij de rechtbank. Dat is het bestreden besluit. De rechtbank heeft het bestreden besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar te nemen. Tegen die uitspraak heeft Verdonk hoger beroep ingesteld bij de Raad van State. De Raad van State heeft het beroep van Verdonk ongegrond verklaard en de beslissing van de rechtbank bekrachtigd. Verdonk moet dus een nieuwe beslissing op het bezwaar nemen.
De Rechtbank Rotterdam overweegt onder meer :
De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende vaststaande, dan wel onvoldoende weersproken, feiten en omstandigheden. De rechtbank stelt vast dat verweerder ter zitting heeft aangegeven dat de overwegingen in het besluit in primo en het bestreden besluit omtrent de vragen of eiser zich in het buitenland zal vestigen, de verbetering van zijn internationale marktpositie en dat het succes van het Nederlandse elftal niet afhankelijk is van eisers bijdrage niet gebaseerd zijn op stukken dan wel adviezen waarover verweerder beschikt, maar veeleer aangemerkt moeten worden als zijdelingse aspecten, welke de afwijzende beslissing van verweerder niet wezenlijk hebben beïnvloed. Nu deze overwegingen derhalve niet dragend zijn voor het bestreden besluit en de rechtbank overigens van oordeel is dat deze overwegingen niet gedragen worden door daaraan ten grondslag liggende feitelijke informatie, zal de rechtbank deze niet in zijn beoordeling betrekken.
Met andere woorden: aan drogredenen en tendentieus geleuter gaan we voorbij. Herkennen wij Verdonk?
En de Raad van State overweegt onder meer:
Dit laat evenwel onverlet dat de beoordelingsruimte van de minister in deze, zoals terecht uit de overwegingen van de rechtbank blijkt, niet onbegrensd is, omdat artikel 10 van de RWN ertoe strekt dat een uitzondering dient te kunnen worden gemaakt. Teneinde te verzekeren dat het op de voet van die bepaling gevoerde beleid betekenis behoudt, dient de minister, indien hij zich in een geval als het onderhavige op het standpunt stelt dat de vreemdeling niet in aanmerking komt voor een voordracht om het Nederlanderschap met toepassing van artikel 10 van de RWN te verlenen, deugdelijk en kenbaar te motiveren op grond waarvan hij geen aanleiding ziet een uitzondering in vorenbedoelde zin te maken. Daarbij kan het de draagkracht van de motivering verhogen indien de minister, in plaats van de vreemdeling voor het indienen van een nieuw verzoek te verwijzen naar 2008, inzicht biedt in zijn overwegingen ten aanzien van de vraag onder welke omstandigheden, meer in het bijzonder bij welke eventueel minder verstrekkende afwijkingen van de voorwaarden, waarvan met een beroep op artikel 10 van de RWN is verzocht af te wijken, geen bezwaar tegen een voordracht om het Nederlanderschap aan de vreemdeling te verlenen zou bestaan. In zoverre is van het hanteren van een onjuiste toetsingsmaatstaf door de rechtbank, zoals de minister betoogt, geen sprake.
Met andere woorden: rijd niet op je stokpaardje aan de argumenten van de ander voorbij. Herkennen wij Verdonk?


