Je zult maar jong zijn. Je groeit op in een wereld vol ongekende mogelijkheden, terwijl volwassenen voortdurend bespreken welke daarvan voor jou verboden moeten worden. De smartphone? Wachten. Sociale media? Later. Kunstmatige intelligentie? Eerst maar eens buiten de basisschool houden.
Steeds klinkt dezelfde boodschap: wij vertrouwen de wereld die we hebben gebouwd onvoldoende om jullie erin toe te laten. Dat is een merkwaardige vorm van opvoeden. Volwassenen ontwikkelen de technologie, verdienen aan de platforms en richten een samenleving in waarin steeds meer digitaal moet. Vervolgens kijken ze naar kinderen en zeggen: jullie kunnen daar nog niet mee omgaan.
Maar waar, wanneer en met wie gaan ze dat dan leren? Een eigen smartphone, een account op een commercieel platform en samen met de leerkracht ontdekken hoe AI werkt, zijn drie verschillende dingen. Daar passen verschillende afspraken bij. Een telefoonvrije les kan verstandig zijn. Een kind hoeft niet op iedere leeftijd overal toegang toe te hebben. Maar een leeftijdsgrens geeft op zichzelf nog geen antwoord op de vraag hoe kinderen zich op de digitale wereld voorbereiden. Natuurlijk verdienen kinderen bescherming tegen uitbuiting, vernedering en bedrijven die hun aandacht behandelen als handelswaar. Een kind hoeft niet zelfstandig opgewassen te zijn tegen een miljardenindustrie die voortdurend probeert het nog één filmpje langer vast te houden. Maar bescherming verliest haar doel wanneer ze de ruimte om te leren steeds kleiner maakt. Opvoeden vraagt ook om vertrouwen, oefening en geleidelijk groeiende vrijheid. Wie uitsluitend de toegang uitstelt, heeft daarmee nog geen weerbaarheid opgebouwd.
De computer in je zak
We noemen het nog altijd een mobieltje. Alsof het voornamelijk een apparaat is waarmee je iemand kunt bellen. Intussen past er een bibliotheek in je broekzak, een filmstudio, een muziekinstrument, een landkaart en een werkplaats voor ideeën. Een jongere kan ermee ontdekken hoe een motor werkt, een film maken over de buurt, een taal oefenen of een bedrijfje beginnen. Wie zich op school een buitenstaander voelt, kan mensen vinden met dezelfde belangstelling. Wie vastloopt bij een uitleg, kan hulp zoeken. Met hetzelfde apparaat kun je eindeloos blijven scrollen, anderen kwetsen en jezelf verliezen in de vergelijking met zorgvuldig opgepoetste levens van leeftijdsgenoten of helden. Daarom schiet ‘schermtijd’ tekort als volledig oordeel. Een uur gedachteloos scrollen en een uur samen een documentaire maken duren even lang. Wat ze voor een kind betekenen, verschilt enorm. Vraag dus ook: wat doe je? Wat ontdek je? Met wie heb je contact? Hoe voel je je daarna? En lukt het je om weer te stoppen? Daar begint opvoeding.
Een vraag die van jezelf is
Stel je een meisje van elf voor dat wil weten waarom het op haar schoolplein zoveel warmer is dan in het park. Samen met haar leerkracht vraagt ze AI hoe ze dat kan onderzoeken. Ze bespreekt de voorstellen, kiest meetplekken en gaat met klasgenoten naar buiten. Ze meten, vergelijken en ontdekken dat hun eerste verklaring niet helemaal klopt. Ze zoeken verder, lezen over schaduw en verdamping en presenteren uiteindelijk een vergroeningsplan aan de schoolleiding. De technologie helpt haar een vraag te onderzoeken die van haarzelf is. Daarvoor moet ze lezen, rekenen, samenwerken en haar bevindingen onder woorden brengen. En ze ervaart dat haar ideeën ertoe doen: ze kan iets bijdragen aan haar omgeving. Dat is een perspectief waarvoor we ons zouden mogen inspannen.
Met AI kan de computer in je zak uitgroeien tot een persoonlijke assistent. Een hulpmiddel dat een ingewikkelde tekst toegankelijker maakt, helpt een onderzoek op te zetten of je aanmoedigt een eerste idee verder uit te werken. Een leerling die denkt ‘ik kan geen wiskunde’ krijgt misschien eindelijk een uitleg waarmee het kwartje valt. Een jonge maker kan iets realiseren waarvoor eerder veel technische kennis of geld nodig was. Die mogelijkheden verdienen nieuwsgierigheid en onderzoek.
Zelf blijven denken
Goed leren is daarmee allerminst gegarandeerd. Een AI die al het werk overneemt, kan het oefenen verdringen. Een behulpzame chatbot kan afhankelijkheid oproepen. En wie persoonsgegevens invoert, moet weten waar die terechtkomen. Precies die kwesties horen thuis in het onderwijs. Laat leerlingen een AI-antwoord controleren, een verzonnen bron ontmaskeren en verschillende verklaringen vergelijken. Laat ze eerst zelf een oplossing bedenken en vervolgens onderzoeken welke bezwaren een chatbot aandraagt. Vraag wat ze hebben overgenomen, wat ze hebben verworpen en waarom.
De wezenlijke vraag is of het gebruik van AI een leerling helpt om zelf iets beter te begrijpen of te kunnen. Goed lezen, schrijven en rekenen blijven daarbij onmisbaar. Je hebt kennis nodig om goede vragen te stellen en onzin te herkennen. Je hebt taal nodig om je gedachten te onderzoeken en een oordeel te onderbouwen. AI-geletterdheid en basisvaardigheden horen bij elkaar.
Maak van school een oefenplaats
Op een basisschool kunnen kinderen samen met hun leerkracht onderzoeken hoe gemakkelijk een geloofwaardig nepbeeld ontstaat. Ze kunnen bespreken waarom je een foto van iemand niet zomaar deelt en ervaren dat een computer iets met grote zekerheid kan beweren en toch ongelijk kan hebben. Dat kan onder begeleiding, met zorgvuldig gekozen middelen en zonder ieder kind een eigen account te geven. Bas Hummel heeft als leraar en AI-expert in het basisonderwijs ook AI gebruikt bij kinderen in groep 1 en 2. Hij liet de kinderen nadenken over een sprookje. Wat moet er allemaal in? De kinderen kwamen met alle ingrediënten. Hummel gebruikte AI om het sprookje te maken op basis van de ideeën van de kinderen. Samen gingen ze het lezen. Er zaten ook een aantal kinderen in de klas waar thuis Arabisch wordt gesproken. Hij haalde het sprookje door een AI-vertaling en liet de kinderen verbaasd luisteren naar hun eigen sprookje in het Arabisch.
Op een middelbare school kunnen leerlingen onderzoeken waarom hun tijdlijnen van elkaar verschillen. Welke keuzes maakt het platform? Wie verdient eraan? Waarom blijf je soms kijken terwijl je eigenlijk iets anders wilde doen? Daar horen schermvrije momenten bij. Rust tijdens een gesprek. Aandacht voor een boek. Bewegen, slapen en verveling verdragen. De vrijheid om onbereikbaar te zijn is ook een vorm van vrijheid. Afspraken krijgen betekenis wanneer jongeren begrijpen waarvoor ze dienen en kunnen meepraten over de vorm. Verantwoordelijkheid groeit door ermee te oefenen, passend bij je leeftijd en ontwikkeling.
Meer aandacht voor het omgaan met nieuwe technologie verdient tijd en ruimte op school. In de podcast ’t AI-Tussenuurtje hebben de docenten Tom Naberink en Marcel Mutsaarts een keer gepleit voor een wekelijkse AI dag op het rooster. Vind ik een interessante gedachte, maar misschien kan het ook anders. Bij Nederlands kunnen leerlingen de overtuigingskracht van een AI-tekst onderzoeken. Bij geschiedenis kunnen ze bronnen vergelijken. Bij economie kunnen ze analyseren hoe platforms geld verdienen aan aandacht. Bij natuurwetenschappen kunnen ze technologie gebruiken om een eigen onderzoek beter op te zetten. Zo krijgt digitale vorming betekenis binnen het onderwijs zelf. Soms vraagt een nieuwe opdracht wel degelijk om andere keuzes in het programma. Daar mogen we eerlijk over zijn. Onderwijs helpt jongeren de wereld te leren kennen, zichzelf te ontwikkelen en zich tot anderen en de samenleving te verhouden. Het geeft hun ook de mogelijkheid mede vorm te geven aan de toekomst. Daar hoort kennismaken met nieuwe technologie bij. Begin klein, onderzoek samen wat het oplevert en bespreek ook wat er misgaat. Zo ontstaat ervaring waarop je verder kunt bouwen.
Leg de verantwoordelijkheid waar de macht zit
Ondertussen mogen techbedrijven zich niet verschuilen achter het woord ‘mediawijsheid’. We kunnen kinderen niet een lesje weerbaarheid geven en hen vervolgens tegenover een industrie zetten die aan hun kwetsbaarheid verdient. De omstandigheden waarin jongeren technologie gebruiken, zijn door mensen ontworpen. Ze kunnen dus ook anders worden ontworpen. De politiek heeft hier een grote verantwoordelijkheid. Stel eisen aan privacy, veiligheid en de manier waarop platforms aandacht proberen vast te houden. Zorg dat gebruikers begrijpen en kunnen beïnvloeden wat zij te zien krijgen. Dat geldt des te sterker voor de persoonlijke AI-agent. Die verdient het woord ‘persoonlijk’ pas wanneer hij aantoonbaar jouw belangen dient. Wanneer je kunt bepalen wat hij onthoudt, zijn toegang kunt beperken en hem kunt corrigeren. Wanneer hij toestemming vraagt voordat hij iets koopt, deelt of verstuurt. Het vooruitzicht van zo’n assistent is aantrekkelijk. De vraag wie er werkelijk aan de knoppen zit, hoort vanaf het begin bij dat perspectief.
Digitale begeleiding mag niet van thuis afhangen
Wanneer school geen ruimte biedt om met digitale technologie te oefenen, wordt wat kinderen daarover leren sterker afhankelijk van hun thuissituatie. Wie legt uit hoe je een AI-antwoord controleert? Wie helpt privacy-instellingen begrijpen? Wie kan goede hulpmiddelen betalen? Het ene kind vindt thuis een kritische gesprekspartner en deskundige begeleiding. Het andere kind moet grotendeels zelf uitzoeken hoe het werkt, met diensten die misschien vooral aan zijn aandacht verdienen. Juist de school kan ervoor zorgen dat ieder kind toegang krijgt tot zorgvuldig gekozen technologie en goede begeleiding. Digitale weerbaarheid verdient een plek in de gezamenlijke vorming van alle leerlingen. Daarvoor hebben ook leraren tijd, ondersteuning en ruimte nodig om te leren. Je kunt scholen geen nieuwe verantwoordelijkheid geven en verwachten dat de deskundigheid vanzelf ontstaat.
Michiel Verbeek, 1 november 2026


