De verzoening van economie en milieu
Nederland heeft de afgelopen jaren geprofiteerd van een goed ontwikkelende wereldeconomie. De economische ontwikkeling voor de komende jaren is weliswaar minder dan de afgelopen jaren, maar er wordt nog steeds een groei verwacht. De basisindustrieën van Nederland: landbouw, handel en diensten hebben goede vooruitzichten. Dat heeft een positieve uitwerking op de overheid, zowel in financiële zin (via belastingen) als in mentale zin (aandacht voor gemeenschapszin).
Er is een groot besef van de noodzaak van economische groei. Er komen steeds meer mensen op de wereld en dus ook in Nederland. Al die mensen willen een huis, een auto, een koelkast enz.. Voorts is economische groei nodig om te kunnen investeren in alom gewaardeerde sectoren als de volksgezondheid en het onderwijs. Internationaal levert economische groei een belangrijke bijdrage aan vrede en voorkoming van oorlog. In die landen waar de economische ontwikkeling positief is zal minder snel een neiging tot oorlog ontstaan. Dat alles neemt niet weg dat de verdeling van de welvaart niet zelden tot problemen kan leiden. Ook in Nederland neemt de groep mensen die leeft in relatieve armoede toe. De positieve economische ontwikkeling van de westerse wereld heeft tot gevolg dat er steeds meer mensen uit andere werelddelen hun heil in het westen zoeken.
De globalisering van de economie heeft een enorme schaalvergroting tot gevolg gehad. Die ontwikkeling zal verder gaan.
Het ‘nieuwe milieudenken’ wint terrein. Het ‘oude milieudenken’ gaat ervan uit dat het milieu primair gesteld moet worden met als uiterste consequentie een krimpende economie. Het nieuwe milieudenken gaat uit van het samengaan van economische groei en vermindering van de milieubelasting. Dat kan, maar gaat niet vanzelf. In de afgelopen jaren is voor veel emissies de relatieve en zelfs de absolute ontkoppeling (minder milieubelasting bij economische groei) gerealiseerd. Het komende decennium moet een basis gelegd worden voor grote resultaten over 20 à 30 jaar. Met de conferenties in Rio de Janairo en Kyoto zijn belangrijke stappen genomen. Er zijn drie principes (beschreven door Paul Hawken) die uitgewerkt moeten worden om de verzoening van economie en milieu te bewerkstelligen. Principe één: afval = voedsel. In plaats van systemen te organiseren die ons afval op handige wijze wegwerken of recyclen, moeten we productielijnen opzetten die weinig tot geen afval achterlaten. Principe twee: de omschakeling van een economie gebaseerd op koolstof tot één op waterstof en zonlicht. Principe drie: we moeten systemen bedenken met feedback en aansprakelijkheid die herstellend gedrag steunen en aanmoedigen en dat kan met nutsbedrijven die grondstoffen leveren, een ‘groene toeslag’ op het gebruik van chemicaliën in de landbouw, of een beperking tot plaatselijke productie en distributie.
In het nieuwe milieudenken dienen de principes langs vier sporen uitgewerkt te worden:
1. Inzetten op technologische ontwikkeling
2. Economiseren van milieuwaarden
3. Ketenbeheer
4. Bewust individueel gedrag
De techniek kan een enorme bijdrage leveren aan de ontkoppeling van economische groei en milieubelasting. Hierbij valt te denken aan auto’s die 1 op 50 kunnen halen. Aan de nieuwe generatie koelkasten, wasmachines, afwasmachines en drogers die energiebesparingspercentages van 80% kunnen halen. En de grote verwachtingen van de waterstofcel. Het overheidsbeleid moet erop gericht zijn dat het aantrekkelijk is voor ondernemingen om te investeren in innovatieve technologie. Enerzijds kan dat betekenen op de juiste momenten subsidies verstrekken, en anderzijds duidelijkheid verschaffen met betrekking tot wetgeving.
Milieuwaarden moeten een prijs krijgen. Milieubelastende activiteiten moeten met prijsverhogingen gecompenseerd worden en bestreden worden en milieuontlastende activiteiten moeten in prijs verlaagd worden, bijvoorbeeld met subsidies. Het vliegticket moet bijvoorbeeld veel meer belast worden, de kilometerheffing biedt de mogelijkheid met gedifferentieerde tarieven het autogebruik te beïnvloeden, en inzet van duurzame-energie kan gestimuleerd worden met stijgende prijzen van fossiele brandstof en subsidies op bijvoorbeeld zonnepanelen. Uitstoot van schadelijke stoffen in de vorm van verhandelbare emissierechten kunnen een prijs krijgen als de mogelijkheid van uitstoot gelimiteerd wordt door de overheid.
Ketenbeheer betekent beter nadenken over de ontwikkeling van grondstof tot afval. Stimuleren van onderdelen die hergebruikt kunnen worden en producenten verplichten zorg te dragen voor een verantwoorde verwerking van afval en vooral voorkoming van afval.
Bewust individueel gedrag heeft te maken met wat wij vandaag en morgen zelf direct kunnen bijdragen aan het stimuleren van duurzaamheid.
Het beleid in het kader van het nieuwe milieudenken is gebaseerd op het zogenaamde ‘factor-4 denken’. Het milieueffect wordt bepaald door de relatie van bevolking x consumptie per hoofd van de bevolking x technologie. Als de bevolking met een factor 2 toeneemt en de consumptie neemt ook met een factor 2 toe, dan kan het milieueffect alleen gelijk blijven als de technologie met een factor 4 toeneemt. H. Daly heeft in zijn boek de Steady State Economics een drietal criteria genoemd voor de duurzaamheid van de energie- en grondstoffenstromen:
1. Vernieuwbare hulpbronnen als zoet water-, en houtvoorraden mogen niet sneller worden geëxploiteerd dan de snelheid waarmee ze weer worden aangevuld.
2. De snelheid waarmee niet-vernieuwbare hulpbronnen (als aardolie en aardgas) worden verbruikt mag niet hoger zijn dan de snelheid waarmee vervangbare, duurzame bronnen beschikbaar komen.
3. De vervuiling mag niet sneller optreden dan het natuurlijke absorptievermogen van het milieu dat toestaat.
De nationale overheid moet samen met Brussel de randvoorwaarden bepalen met geboden en verboden en bedrijven, maatschappelijke organisaties en burgers verleiden met subsidies. Met de geboden en verboden moet de overheid de mogelijkheden creëren om in de markt deals te laten ontstaan tussen producenten en consumenten die de verzoening van economische ontwikkeling en milieubelasting bevorderen.
Het gedachtegoed van Hawken en Daly moet in concreet beleid vertaald worden. Maar bij die concrete stappen moet iedere keer de visie worden gecommuniceerd. De inbreng moet prikkelend, vernieuwend en gedurfd zijn.
Om de nieuwe periode in te gaan een 10-punten plan:
1. De regering moet bevorderen dat er een 'duurzaamheidsmeetlat' wordt ontwikkeld waarmee bedrijven getoetst kunnen worden op de mate van maatschappelijk verantwoord ondernemen en de bijdrage aan duurzame ontwikkeling. Bij de Rijksuniversiteit van Groningen is een dergelijke indicator in de maak. De regering moet dit initiatief ondersteunen en bedrijven uitlokken om zich langs deze meetlat te laten beoordelen. Het kabinet moet het bedrijven aantrekkelijk maken om zich te onderwerpen aan de toets door nieuwe subsidiemogelijkheden in het vooruitzicht, die gebaseerd zijn op de uitkomsten van de meetlat.
2. Er moet een onderzoek geïnitieerd worden naar het houden van een ecologische boekhouding voor bedrijven op basis van het concept van de ‘onttrokken waarde’ (idee van Eckart Wintzen, voormalig directeur van BSO Origin), of te wel de waarde die een product of een bepaalde grondstof door menselijk gebruik aan het milieu onttrekt. Om een voorbeeld te geven: een auto verbruikt zuurstof en produceert kooldioxide. De berijder dient te betalen voor de theoretische kosten die nodig zijn om dat proces weer terug te draaien. Dat betekent dat hij heel veel bomen zal moeten planten. De essentie is dat de milieuschade die een product veroorzaakt wordt gereduceerd tot een niveau waarop het natuurlijke ecosysteem zelf in staat is om de overblijvende gevolgen op te ruimen. Het vervolg op de ecologische boekhouding op basis van de ‘onttrokken waarde’ kan zijn een belasting op de ‘onttrokken waarde’ en het inzetten van die inkomsten om milieuschade te herstellen.
3. Het kabinet moet het initiatief van het bedrijfsleven en de drie Noordelijke provincies ondersteunen om te investeren in een snelle zweeftrein tussen Hamburg en Amsterdam via Groningen.
4. Nederland distributieland moet van boven de grond naar onder de grond, of te wel het goederenvervoer moet ondergronds in containers in een buizenstructuur. Vervolgens moeten openbaar vervoerssystemen niet onder de grond, maar bovengronds. De overheid moet fors investeren in dit soort infrastructuur ten koste van wegeninfrastructuur.
5. De opbrengsten van de kilometerheffing moeten geïnvesteerd worden in het alternatief van de auto: Hoogwaardig Openbaar Vervoerssystemen. Voor het woon-werk-verkeer moet gestreefd worden naar gratis openbaar vervoer. Bedrijven en maatschappelijke organisaties kunnen voor werknemers gratis vervoersbewijzen krijgen.
6. De inzet van Duurzame Energie gaat te langzaam. De overheid moet gemeenten en provincies verplichten 'groene stroom' in te kopen en de subsidies voor zonnepanelen moeten worden verhoogd.
7. Voor Schiphol en voor de regionale luchthavens moeten milieunormen worden geformuleerd die in de loop van de tijd steeds strenger worden. Op die manier worden investeringen in het terugdringen van geluidsoverlast en andere emissies lonend wordt.
8. In het systeem van energiepremies op de aankoop van consumentenartikelen moet de verwerking ingrijpend worden veranderd. Als een consument een energiezuinig product koopt moet de leverancier de gegevens van de koper direct digitaal doorgeven aan het verwerkingsbureau. Dit bureau zorgt vervolgens dat de energiepremie binnen twee weken op de rekening staat van de consument.
9. Het systeem van de EPA (Energie Prestatie Advies) moet veel klantvriendelijker. De EPA moet heel weinig kosten. Als de EPA is opgesteld krijgt de consument een pasje waarin de voorstellen digitaal zijn opgeslagen. Als de consument binnen 1 jaar de maatregelen laat uitvoeren is het inleveren van het kaartje voldoende voor de leverancier om de korting te realiseren. De leverancier haalt zelf vervolgens de premie bij de overheid.
10. Het kabinet moet zo snel mogelijk Nederland volledig voorzien worden van breedband. Op die manier kan de beeldtelefoon een groot deel van de onnodige mobiliteit tegengaan.


