Ik wil niets afdoen van het pleidooi van Pieter Winsemius van de WRR in het rapport ‘Vertrouwen in de school’ over de steun aan de ‘overbelaste leerlingen’. Maar ik heb problemen met het beeld dat regelmatig opdoemt over vroegtijdige schoolverlaters. In het rapport staat ook weer dat er 200.000 vroegtijdige schoolverlaters zijn. Dat is een groot getal. Op 18 mei 2007 schreef ik een uitgebreid bericht over vroegtijdige schoolverlaters naar aanleiding van het jaarlijkse onderwijsrapport. Die cijfers roepen toch een iets genuanceerder beeld op. En dat is nodig als je doeltreffend beleid wilt maken. Daarom nog een keer die cijfers:
Vroegtijdige schoolverlaters voortgezet onderwijs
Van de leerlingen die in het schooljaar 2003-2004 nog in het voorgezet onderwijs lessen volgden verliet 2,4% in 2004 het onderwijs. Het ging om 21.500 leerlingen. Een nadere uitsplitsing van deze groep levert het volgende beeld op:
9.000 leerlingen verlaten het onderwijs, maar hebben een VMBO diploma op zak.
4.500 leerlingen haken af in de opbouwperiode (onderbouw)van het voortgezet onderwijs
4.000 leerlingen haken af bij de basisgerichte- en de kaderberoeps stroming binnen het VMBO
3.500 leerlingen haken af op VMBO-TL, Havo en VWO
Er is sprake van vroegtijdige schoolverlating als een leerling zonder startkwalificatie het onderwijs verlaat. Er is sprake van startkwalificatie indien een leerling minimaal een diploma MBO-niveau 2 heeft gehaald. Met dit criterium is een leerling met alleen een VMBO diploma een vroegtijdige schoolverlater. Als we kijken naar niveau dan kun je eenvoudig de stelling verdedigen dat iemand met een VMBO diploma een betere schoolopleiding achter de rug heeft dan iemand met alleen MBO-2. Met een diploma VMBO kun je immers instromen in MBO-niveau 3. Ik acht zelfs een leerling van 18 of 19 jaar met vier jaar Havo die geen zin meer heeft in school en wil werken kansrijker op de arbeidsmarkt dan iemand met MBO-niveau 2. De focus op een startkwalificatie op MBO-2 niveau lokt verkeerde prikkels uit. De politiek is tevreden als het percentage naar beneden gaat. Dat kan bijvoorbeeld door het niveau te verlagen. Dat is makkelijker dan extra inspanningen te doen om leerlingen die moeite hebben om het niveau te halen met extra ondersteuning en nieuwe methoden toch op het gewenste niveau te krijgen.
Vroegtijdige schoolverlaters in het middelbaar beroepsonderwijs
In 2004 verlieten 41.000 leerlingen zonder diploma het MBO. Dat is 9% van het totaal aantal leerlingen in het MBO op dat moment. Het is opmerkelijk dat in het inspectierapport dit percentage niet staat, maar wel: 38% van de totale uitstroom. Met andere woorden in 2004 verlieten ongeveer 107.895 leerlingen het MBO, 62% met een diploma en 38% zonder diploma. Er is een neiging om het probleem van vroegtijdige schoolverlating aan te dikken. In de deeltijd MBO-BOL opleiding gaat zelfs 75% zonder diploma van school. Bij de cijfers van het MBO moeten we ons goed realiseren dat er erg veel leerlingen gedwongen worden om naar school te gaan terwijl ze dat helemaal niet willen. Dan is het ook niet zo vreemd dat ze de school verlaten als ze ook maar even kunnen. Wij eisen als samenleving van jongeren tot 23 jaar (en dat wordt 25 of zelf 27 jaar) dat ze of aan het werk zijn, of een opleiding volgen. Degenen die geen baan kunnen vinden zitten met tegenzin op school. Als leerlingen tegen hun zin op een MBO opleiding zitten en halverwege de rit een baan kunnen vinden, verlaten ze de school. Dat is dan een vroegtijdige schoolverlater. Is dat erg? Nee, dat is helemaal niet erg. Het is wel goed dat al die leerlingen weten dat ze met een afgeronde opleiding een betere positie hebben op de arbeidsmarkt.
31 januari 2009


