De alledaagse democratie onderscheidt zich van de institutionele democratie. Onder institutionele democratie vallen bijvoorbeeld: de gekozen minister president, het districtenstelsel, de gekozen burgemeester en het referendum. Vormen van democratie die op gezette tijden de politiek in Den Haag enorm kunnen beroeren. Na het referendum over de Europese Grondwet in juni 2005 was het overgrote deel dat regelmatig op het Binnenhof vertoeft razend enthousiast over dit instrument. Het zou een interessant middel zijn om burgers meer bij de politiek te betrekken. Het is maar zeer de vraag of een dergelijke conclusie juist is. Het grote probleem van het referendum is dat het aan het eind van de rit zit. Alleen een ‘ja’ of ‘nee’ kan er nog klinken. Het heeft daarom ook niet zoveel te maken met burgerparticipatie, maar meer met burgerbeoordeling. De ‘alledaagse democratie’ is gericht op het daadwerkelijk invloed uitoefenen van burgers op weg naar het eindproduct. Het referendum zegt alleen ja of nee tegen het eindproduct, waarop burgers helemaal geen invloed hebben gehad. Een correctief referendum (een burgeruitspraak over een reeds genomen besluit) is wel een interessant middel om de volkssoevereiniteit te waarborgen.
Voor zover ik kan nagaan is het begrip ‘alledaagse democratie’ het eerst gebruikt door prof. Van den Berg, toen hij directeur was van de VNG (Vereniging van Nederlandse Gemeenten). In dit hoofdstuk wil ik graag een bijdrage leveren om de het begrip ‘alledaagse democratie’ vorm en inhoud te geven.
Waarom burgerparticipatie?
De overheid kan zich al enige tijd niet meer permitteren om volledig zelfstandig beleid te maken en beleid uit te voeren. De overheid heeft niet meer het morele gezag dat burgers alle beslissingen voor zoete koek aannemen. Burgers kijken niet meer tegen de overheid op met een houding van: ‘zij hebben er voor doorgeleerd, dus het zal wel goed zijn!’. Gezag zal verdiend moeten worden. De overheid staat niet meer boven burgers en maatschappelijke organisaties in het normale verkeer tussen mensen, maar is één onder gelijken. Het is een uiting van de horizontalisering van de samenleving. Er is niet één sturingscentrum die een gelaagde samenleving aanstuurt. De overheid is één van de instituties die sturing geeft aan de netwerksamenleving. Organisaties in een netwerk kunnen hun zin niet opleggen, maar moeten een aantrekkelijke partner zijn voor anderen in het netwerk. De overheid zal daarom een aantrekkelijke partner moeten zijn voor burgers en maatschappelijke organisaties. In een netwerksamenleving is sprake van fragmentatie. Doelstellingen in de netwerksamenleving zijn niet meer eenduidig. De overheid kan ze dus niet centraal opleggen, maar zal meer gericht moeten zijn op het faciliteren van het proces om die doelstellingen te verwezenlijken. De procesmatige kant zal steeds meer aandacht vergen. De overheid zal moeten zorgdragen voor algemene toegankelijkheid, voor het voorkomen van negatieve effecten, voor het beschermen van zwakke partijen en voor een democratische besluitvorming. Tegen de achtergrond van maatschappelijke ontwikkelingen is het voor de hand liggend dat overheden op zoek gaan naar vormen van burgerparticipatie. Als het proces goed verloopt is er kans op draagvlak voor het besluit en het geeft het bestuur legitimatie. Een hele ander reden voor burgerparticipatie is dat de overheid maximaal gebruik wil maken van de intelligentiecapaciteit van de samenleving. Degenen die vanuit de overheid betrokken samen met burgers, bedrijven en maatschappelijke instellingen, moeten het zelf leuk en nuttig vinden. Doen ze dat niet dan zijn de teleurstellingen ingebakken.
Een ieder die te maken heeft met de overheid weet dat veel burgers geïnteresseerd zijn in activiteiten van de overheid als ze op één of andere manier betrokken zijn. Zeker als het directe eigen belang in het geding is, bijvoorbeeld een speelvoorziening voor de deur of de bouw van nieuwe woningen op het mooie braakliggende weiland tegenover je huis. Burgers willen graag invloed uitoefenen als ze het gevoel hebben dat hun bijdrage er toe doet. Blijft dat gevoel achterwege dan ontstaat er woede of gelatenheid.


