Staat van het Onderwijs 2026: voorbij de crisisretoriek
Op 15 april 2026 presenteerde de Inspectie van het Onderwijs het rapport De Staat van het Onderwijs 2026. De bijeenkomst begon met een mooi filmpje van de 13-jarige Sepp, een jongen die danst en de halve finale van Holland’s Got Talent heeft gehaald. Hij vertelde dat hij op de basisschool werd gepest, maar dat hij nu met veel plezier op een Rotterdamse dansschool zit.
Het was een ontroerend begin. En ook een belangrijk begin. Want het verhaal van Sepp laat zien dat onderwijs over veel meer gaat dan taal en rekenen. Het gaat ook over gezien worden, veiligheid, motivatie, talentontwikkeling en een leeromgeving die bij je past. Juist daarom was het jammer dat zijn verhaal na het applaus nauwelijks nog terugkwam. Het had een mooie ingang kunnen zijn voor een gesprek over de vraag of het reguliere onderwijs nog voor alle leerlingen passend is.
Toch ging de presentatie vooral over de bekende thema’s: basisvaardigheden, schoolkwaliteit, herstelopdrachten, schoolleiderschap en kansenongelijkheid.
Inspecteur-generaal Alida Oppers constateerde dat er in het primair onderwijs verbetering zichtbaar is bij taal en rekenen. Voor het voortgezet onderwijs gold dat minder. Daar blijven de cijfers zorgelijker, vooral in het vmbo. Ook wees zij op het mbo, waar een aanzienlijk deel van de studenten onvoldoende taal- en rekenvaardig is. Daarnaast kwamen regionale verschillen, herstelopdrachten, schoolleiderschap en teamontwikkeling aan de orde. De boodschap was duidelijk: er gaat veel goed, maar op belangrijke plekken wringt het.
Minister Rianne Letschert en staatssecretaris Judith Tielen namen het eerste exemplaar van de Staat in ontvangst. Letschert vertelde over haar eigen schooltijd die ze saai vond en enigszins geëmotioneerd over recente ervaringen van haar dochter. Zij had hard gewerkt aan profielonderdelen, maar kreeg daarop vooral negatieve reacties. Wat ontbrak, was het gevoel dat docenten haar echt zagen en haar verder hielpen met constructieve feedback.
Dat persoonlijke verhaal raakte. Tegelijk bleef de politieke ambitie groot: Nederland zou moeten streven naar het beste onderwijs van de wereld. Dat zijn grote woorden. Maar wat dat beste onderwijs precies is, bleef onduidelijk.
Op de foto van links naar rechts: Karim Amghar, gastheer van de bijeenkomst, minister van OCW Rianne Letschert, Inspecteur generaal Alida Oppers en Staatssecretaris Judith Tielen.
Het vertrouwde debat
De nieuwe Staat van het Onderwijs leverde in de media opnieuw vertrouwde reacties op. Een interviewer kondigde een gesprek aan met de woorden dat het zou gaan over “de deplorabele staat van het onderwijs”. In de Volkskrant schreef docent Nederlands David Roelofs onder de kop: Waarom blijven we kinderen dommer maken?
Roelofs pleitte voor een terugkeer naar onderwijs van twintig of dertig jaar geleden: directe instructie, een kennisrijk curriculum en de leraar voor de klas als beste leersetting. Hij zette die benadering af tegen wat hij de “romantische beweging” noemt: onderwijs waarin de leraar coach wordt, leerlingen zelf kiezen wat zij leren, liefst buiten in de natuur, zonder toetsen, deadlines of vooraf geformuleerde leerdoelen.
Een dag later reageerde docent, schrijver en spreker Barend Last. Hij herkende zich niet in het beeld dat Roelofs schetste. Last gaf aan dat hij directe instructie gebruikt, zo kennisrijk mogelijk werkt en bewust kiest welke technologie hij wel en niet inzet. Zijn bezwaar zat vooral in de tegenstelling die Roelofs maakte: rationeel tegenover romantisch, kennis tegenover ontwikkeling, instructie tegenover vrijheid. Wie zo’n tegenstelling opzet, hoeft de werkelijkheid niet meer precies te beschrijven, maar kan volstaan met het bestrijden van een karikatuur.
Daar zit precies het probleem in een groot deel van het onderwijsdebat. De cijfers zijn ingewikkeld, maar het debat maakt ze vaak simpel. Alsof er maar twee smaken zijn: vroeger was alles beter, of alles moet radicaal anders. De Staat van het Onderwijs 2026 vraagt juist om meer precisie.
Wat laat de Staat van het Onderwijs zien?
De Inspectie heeft in schooljaar 2024-2025 steekproeven genomen naar het referentieniveau van leerlingen aan het einde van de basisschool. Sinds het rapport van de commissie-Meijerink uit 2008 werkt Nederland met referentieniveaus voor taal en rekenen.
Aan het einde van de basisschool geldt niveau 1F als fundamenteel niveau. De ambitie is dat minimaal 85% van de leerlingen dit niveau haalt. Voor een goede doorstroom naar vmbo-g/t, havo en vwo zijn hogere niveaus van belang: 2F voor taal en 1S voor rekenen.
De cijfers uit de Staat laten het volgende beeld zien:
- Voor leesvaardigheid haalt 99% van de leerlingen niveau 1F en 74% niveau 2F.
- Voor taalverzorging haalt 97% niveau 1F en 55% niveau 2F.
- Voor rekenen haalt 93% niveau 1F en 50 % niveau 1S.
Dat beeld is belangrijk. Het fundamentele niveau wordt aan het einde van de basisschool ruimschoots gehaald. Dat geldt voor taal én rekenen. Tegelijk is het streefniveau, vooral bij rekenen, nog lang niet vanzelfsprekend. De ambitie is dat 65% van de leerlingen 1S haalt, maar het werkelijke percentage blijft steken op 50%.
Wie alleen naar 1F kijkt, kan zeggen: het primair onderwijs doet het behoorlijk goed. Wie naar 1S kijkt, ziet: vooral bij rekenen is er nog veel werk te doen.
Daarom is het te simpel om te zeggen dat het basisonderwijs faalt. Maar het is ook te simpel om te zeggen dat er niets aan de hand is.
Van basisschool naar voortgezet onderwijs
Ongeveer 20% van de leerlingen gaat na groep 8 naar het vwo, ongeveer 30% naar de havo en ongeveer 50% naar het vmbo. Die verdeling zit al jaren diep in het systeem van toetsing en advisering. Karen Heij heeft daarover uitvoerig geschreven in haar boek Van de kat en de bel.
Tegen die achtergrond zijn de cijfers aan het einde van de basisschool niet rampzalig. Ze geven geen aanleiding om het primair onderwijs weg te zetten als de hoofdschuldige van een onderwijscrisis. Het overgrote deel van de leerlingen haalt het fundamentele niveau. Een leerling kan aan het einde van groep 8 voldoende basis hebben om door te stromen, maar die basis moet in het voortgezet onderwijs worden onderhouden, verdiept en toegepast. Als dat onvoldoende gebeurt, ontstaat het beeld dat we nu zien: leerlingen hebben ooit het basisschoolniveau gehaald, maar komen in de onderbouw van het voortgezet onderwijs, vooral in het vmbo, onvoldoende verder.
PISA en de crisisstemming
Sinds het verschijnen van PISA 2022 verkeert het Nederlandse onderwijs in een soort permanente crisisstemming. Eén cijfer speelde daarin een hoofdrol: ongeveer een derde van de Nederlandse 15-jarigen scoorde onder het basisniveau voor leesvaardigheid. In het vorige onderzoek was dat nog ongeveer een kwart. Dat is een forse en zorgelijke stijging.
In het publieke debat werd dit cijfer vervolgens geregeld vertaald als: “een derde van de jongeren is functioneel analfabeet.” Dat is een ongelukkige formulering. PISA zegt niet dat een derde van de 15-jarigen niet kan lezen. PISA zegt dat een derde van de leerlingen onvoldoende vaardig is om teksten te begrijpen en te gebruiken op het niveau dat PISA als noodzakelijk ziet voor verdere deelname aan onderwijs en samenleving. Er is sprake van een risico op ongeletterdheid. Dat is ernstig genoeg. Maar het is iets anders dan zeggen dat deze jongeren functioneel analfabeet zijn.
Het probleem van de basisvaardigheden zit bovendien niet gelijk verdeeld over alle onderwijssoorten. Bij havo en vwo is het beeld veel gunstiger. De grootste zorgen zitten bij het vmbo en het praktijkonderwijs, en daarbinnen vooral bij rekenen.
Wat gebeurt er in de onderbouw van het vmbo?
De Staat van het Onderwijs bevat ook cijfers over leerlingen die met een vmbo-basisadvies het voortgezet onderwijs binnenkomen. Die cijfers laten een zorgelijk beeld zien, vooral bij rekenen.
Bij leerlingen met een vmbo-basisadvies haalt aan het einde van de basisschool:
- 62% niveau 1F voor taalverzorging en 3% 2F;
- 79% niveau 1F voor lezen en 9% 2F;
- 25% niveau 1F voor rekenen, terwijl 75% onder 1F zit.
Vooral dat laatste cijfer is opvallend. Veel leerlingen die naar vmbo-basis gaan, beginnen het voortgezet onderwijs dus al met een zwakke rekenbasis.
Vervolgens laat de Staat zien wat er in leerjaar 2 van het voortgezet onderwijs gebeurt. Bij havo en vwo is er weinig reden tot zorg. Bij het vmbo is dat anders.
Voor leesvaardigheid in leerjaar 2 geldt:
- bij vmbo-b/k zit 64% onder 1F, 34% op 1F en 2% op 2F;
- bij vmbo-g/t zit 13% onder 1F, 54% op 1F en 33% op 2F;
- bij havo/vwo zit 6% op 1F, 80% op 2F/1S en 14% op 3F.
Deze cijfers maken zichtbaar dat de onderbouw van het vmbo een cruciale plek is. Daar moeten de basisvaardigheden worden onderhouden en verder ontwikkeld, maar juist daar lijkt dat onvoldoende te gebeuren.
Een mogelijke verklaring is dat de basisschool veel meer gericht is op herhaling, inoefening en integratie van taal en rekenen in verschillende activiteiten. In het voortgezet onderwijs krijgen leerlingen te maken met meerdere vakken, meerdere docenten en meer versnippering. Iedere docent is verantwoordelijk voor zijn of haar vak, maar taal en rekenen zijn niet vanzelfsprekend van iedereen.
Zonder onderhoud loopt kennis weg. Dat geldt zeker voor rekenen, maar ook voor lezen, schrijven en woordenschat. Basisvaardigheden zijn geen bezit dat je één keer verwerft en daarna automatisch behoudt. Ze vragen voortdurend gebruik, herhaling en toepassing.
Wat betekent 1F eigenlijk?
Het helpt om concreet te maken wat niveau 1F inhoudt. Een leerling op 1F kan gesprekken voeren om informatie en meningen uit te wisselen, uitleg of instructie geven en volgen, en vertrouwde gesprekssituaties herkennen. De leerling beschikt over voldoende woorden om te praten over bekende situaties en onderwerpen, maar zoekt nog regelmatig naar woorden en varieert beperkt in woordgebruik. Bij lezen kan een leerling op 1F de hoofdlijn begrijpen van korte informatieve, instructieve en betogende teksten met een duidelijke structuur en voldoende herhaling. De leerling kan hoofdzaken uit een tekst halen, belangrijke informatie selecteren en verbanden leggen tussen tekstuele informatie en eigen kennis en ervaringen. Dat is niet niets. Maar het is ook geen hoog niveau, het een fundamenteel niveau. Is dit waar je aan denkt als iemand beweert dat onze jongeren functioneel analfabeet zijn?
Examen gehaald, referentieniveau niet gehaald
Aan het einde van het voortgezet onderwijs is de ambitie dat vmbo-leerlingen niveau 2F halen voor taal en rekenen. Voor havo en vwo geldt niveau 3F. De Staat van het Onderwijs 2026 laat zien dat die doelen niet altijd worden gehaald. Zeker in het vmbo blijft een aanzienlijke groep leerlingen onder het gewenste niveau. Tegelijk ligt het percentage geslaagden, ook in het vmbo, hoog. Dat roept een belangrijke vraag op: hoe kan een leerling slagen voor het examen en toch het referentieniveau niet halen?
Daar zijn verschillende verklaringen voor. Ten eerste zijn de eindtermen van de verschillende vmbo-leerwegen niet hetzelfde, terwijl de referentiedoelen voor taal en rekenen wel breed worden geformuleerd. Ten tweede toetsen examens niet altijd rechtstreeks of een leerling een bepaald referentieniveau beheerst. Ten derde speelt de normering van examens een rol. Bij centrale examens wordt gewerkt met een N-term. Die corrigeert voor verschillen in moeilijkheid tussen examens. Een moeilijker examen krijgt een andere normering dan een eenvoudiger examen. Dat is verdedigbaar, omdat leerlingen uit verschillende jaren eerlijk met elkaar vergeleken moeten worden. Uitgangspunt is dat gemiddeld een 5,5 gehaald moet worden voor een vak. Is het examen moeilijker en schiet het gemiddelde onder het gemiddelde, dan wordt de normering aangepast. Het examencijfer kan niet eenvoudig gelijkgesteld worden aan een referentieniveau. Een voldoende voor Nederlands of rekenen betekent dus niet automatisch dat een leerling duurzaam op 2F functioneert.
Wat betekent 1F voor rekenen?
Ook bij rekenen is het nuttig om een idee te hebben van het niveau. Een leerling op 1F kan eenvoudige getallen, bewerkingen en symbolen correct noteren en gebruiken. De leerling kan getallen lezen en uitleggen, hoofdrekenen met en zonder tussenstappen, berekeningen uitvoeren om problemen op te lossen en de rekenmachine op een verstandige manier inzetten. Ook kan de leerling eenvoudige berekeningen uitvoeren met verhoudingen en procenten, standaardmaten gebruiken in veelvoorkomende situaties en eenvoudige tabellen, diagrammen en grafieken benutten bij het oplossen van problemen.
Opnieuw: dat is een belangrijk basisniveau. Nog geen niveau waarop leerlingen vanzelfsprekend goed voorbereid zijn op complexere vervolgopleidingen of beroepssituaties waarin rekenen, data en kwantitatief inzicht steeds belangrijker worden.
Wil je meer weten over referentieniveau’s kijk dan op deze website. Na een paar clicks staan alle referentieniveau’s uitgeschreven.
Doen scholen het dan slecht?
Wie de Staat van het Onderwijs zorgvuldig leest, ziet geen onderwijsstelsel dat op instorten staat. Zeker in het primair onderwijs scoort het overgrote deel van de scholen voldoende. In de steekproeven van de Inspectie krijgt 85% van de basisscholen het oordeel voldoende, 13% onvoldoende en 2% zeer zwak. In het voortgezet onderwijs krijgt 77% van de scholen het oordeel voldoende, 21% onvoldoende en 2% zeer zwak. Ook herstelopdrachten leiden vaak tot verbetering. Van de herstelopdrachten die de Inspectie gaf bij onvoldoende of zwak beoordeelde scholen, werd 67% binnen een jaar omgezet naar voldoende.
Dat betekent niet dat er geen problemen zijn. Maar het beeld van een totaal “deplorabele” staat van het onderwijs is onzinnig. Het maakt het debat platter dan de cijfers rechtvaardigen. De zorgen zijn reëel, maar ze zitten niet overal op dezelfde plek. Ze zijn het grootst in het vmbo en bij mbo niveau 1 en 2.
Het mbo en kansenongelijkheid
In het mbo zijn de cijfers duidelijk zorgelijker. Slechts 53% van de instellingen scoort voldoende, 44% onvoldoende en 2% zeer zwak. In mbo 2 haalt maar een deel van de gediplomeerden het referentieniveau 2F voor taal en rekenen.
Tegelijk blijft het belang van een startkwalificatie groot. Van de 25-jarigen zonder startkwalificatie werkt 60% als werknemer of zelfstandige en ontvangt 28% een uitkering. Van de 25-jarigen met een startkwalificatie werkt 81% en ontvangt slechts 9% een uitkering. Een startkwalificatie loont!
Ook kansenongelijkheid blijft hardnekkig. Van de jongeren uit gezinnen met laagopgeleide ouders zit 32% in het tertiair onderwijs, dus hbo of universiteit. Bij jongeren uit gezinnen met hoogopgeleide ouders is dat 73%. Dat verschil is enorm. En het laat zien dat het onderwijs niet alleen een kwaliteitsvraagstuk heeft, maar ook een verdelingsvraagstuk. Wie krijgt toegang tot kansen? Wie krijgt steun, taal, vertrouwen en cultureel kapitaal mee? Kan school de afwezigheid daarvan compenseren? En voor wie is school vooral een reeks selectiemomenten?
Wat vraagt dit van het onderwijsdebat?
De Staat van het Onderwijs 2026 is geen bewijs dat het Nederlandse onderwijs in deplorabele staat verkeert. Het rapport laat wel zien dat er serieuze problemen zijn. Maar die problemen vragen om precisie. Het primair onderwijs haalt voor veel leerlingen het fundamentele niveau. Tegelijk blijft vooral rekenen op streefniveau achter. In het voortgezet onderwijs, met name in het vmbo, worden basisvaardigheden onvoldoende onderhouden en verder ontwikkeld. En hoge slagingspercentages mogen niet worden verward met het daadwerkelijk behalen van referentieniveaus.
Daarom helpt het niet om het onderwijsdebat te voeren met grote woorden en versleten tegenstellingen. Het helpt niet om te doen alsof vroeger alles beter was. Het helpt ook niet om basisvaardigheden tegenover brede vorming te plaatsen. Goed onderwijs vraagt om beide. Leerlingen hebben taal en rekenen nodig. Maar ze hebben ook docenten nodig die hen zien, feedback geven, hoge verwachtingen hebben en ruimte bieden om talenten te ontdekken. School is meer dan een plaats waar leerlingen toetsen maken. Het is ook een plek waar zij leren samenwerken, denken, maken, spreken, proberen, falen en opnieuw beginnen.
Een paar conclusies
De basisvaardigheden in het primair onderwijs zijn verbeterd. Dat verdient erkenning.
Het publieke debat zou moeten stoppen met het gemak waarmee wordt gesproken over “de deplorabele staat van het onderwijs”. Die formulering helpt niet en doet onvoldoende recht aan de cijfers.
Iedereen die iets wil zeggen over taal en rekenen zou zich eerst moeten verdiepen in de betekenis van de referentieniveaus. 1F, 2F, 1S en 3F zijn geen vrijblijvende labels, maar ze betekenen ook niet allemaal hetzelfde.
Het onderwijsdebat zou meer moeten gaan over de bedoeling van onderwijs. Natuurlijk zijn leerdoelen belangrijk. Maar er zijn ook aandachtsdoelen en ervaringsdoelen. Wat willen we dat leerlingen meemaken? Waarin willen we dat zij groeien? Welke ervaringen gunnen we ieder kind?
Daarnaast is het dringend nodig dat scholen tijd krijgen om te experimenteren met AI. Niet als hype, maar als onderdeel van de wereld waarin leerlingen nu al leven en straks werken. Docenten en leerlingen hebben scholing nodig om AI kritisch, creatief en verantwoord te gebruiken. Ik hoop dat in de volgende Staat van het Onderwijs AI een veel grotere rol zal spelen.
Voor een groeiende groep jongeren biedt het reguliere onderwijs niet de juiste leeromgeving om maximaal tot bloei te komen. De Inspectie zou daar meer oog voor moeten hebben. Dat vraagt ook om een inspectiekader dat ruimte biedt aan vernieuwingsonderwijs en andere vormen van leren, zonder de kwaliteit uit het oog te verliezen.
Tot slot is het de moeite waard om na te denken over de referentieniveaus voor verschillende onderwijssoorten. Het is de vraag of één doelstelling voor alle vmbo-leerwegen voldoende recht doet aan de verschillen tussen praktijkonderwijs, vmbo-basis, vmbo-kader, vmbo-g/t, havo en vwo. Of moeten we een stap verder gaan en de vroege selectie in teveel leerwegen schrappen?
De Staat van het Onderwijs 2026 vraagt niet om paniek. Zij vraagt om scherpte. Minder crisisretoriek, meer analyse. Minder karikaturen, meer kennis van de cijfers. Minder spreken over “het onderwijs” alsof het één geheel is, en meer aandacht voor de plekken waar leerlingen daadwerkelijk vastlopen.
Want daar begint verbetering: niet bij grote woorden, maar bij precies kijken.
Michiel Verbeek