Michiel Verbeek

01 mei

Het nieuwe boek ‘Het bezwaar van de leraar’ van Ton van Haperen leest als een indringend pamflet zonder oproep tot constructieve actie. Een gloedvol betoog voor wijze docenten voor de klas van een docent die gepassioneerd het ambacht wil beschermen tegen nieuwlichterij en bobo’s. Hij schets alle ontwikkelingen van de afgelopen jaren in het middelbaar onderwijs en wordt daar heel treurig van. Hij ziet eigenlijk nog maar een uitweg: Bombarderen en opnieuw beginnen!  

Hij wil een praktijkrevolutie in het voortgezet onderwijs. ‘Alle koningen, edelen, jonkvrouwen, luchtfietsers, organisatiegoeroes, managementdromers eruit. En de praktijkmensen aan het roer. Een school is een school. Geen maatschappelijke onderneming. De beste leraar is de baas. Als eerste onder de gelijken’.
Menig onderwijsbestuurder of collega docent zal hem wegzetten als een oude brombeer met stokpaardjes, een hang naar het verleden en weinig gevoel voor noodzakelijke onderwijsvernieuwing. Dat gevoel borrelt zo en dan ook bij mij op bij het lezen van het boek, maar er staat ook iets anders tegenover. Het is een vakman. Hij pleit hartstochtelijk voor hoog opgeleide docenten, omdat voor hem de kern van het onderwijs de relatie docent-leerling is als meester-gezel. Wil je iets heel goed leren dan heb je een hele goede docent nodig. Van welke docent heb jij het meeste geleerd? Denk even na. Waarom was dat zo’n goede docent? Omdat hij of zij veel van het vak wist? Heel goed kon uitleggen? Je heeft geïnspireerd voor de keuze van je latere beroep? Iemand die boven de stof stond. Iemand die moeiteloos verbindingen kon maken tussen de vakkennis en de wereld van jou als leerling toen?

Kenniswerker of jeugdwerker?



Er wordt rond verkiezingen vanuit de politiek vaak geroepen dat het onderwijs teruggegeven moet worden aan de docent en de leerling. Maar na een paar weken verkiezingsstrijd is het weer voorbij en is er niets veranderd. Ton van Haperen is warm pleitbezorger van academisch geschoolde docenten. Dat biedt zekerheid dat de stof die overgebracht moet worden zelf begrepen wordt en dat ermee gespeeld kan worden. En dat heb je nodig om de verbinding te maken met de leefwereld van de leerlingen. Welk type leraar willen we eigenlijk voor Nederlandse klassen: de kenniswerker of de jeugdwerker? Voor Van Haperen is dat duidelijk: de kenniswerker. Hij is allesbehalve aardig voor een hoop van zijn collega’s. Het nieuwe type leraar (de kenniskabouter), die alleen instructie geeft, maar zelf niet zoveel weet, daar luistert geen enkele puber naar’.
Van Haperen is niet de oude brombeer die alleen maar klassikaal wil zenden. Hij beschrijft niet voor niks het inzicht van de taxonomie van Bloom.